Johannes


Johannes 3,13-17


Jezus door de Vader gezonden
wat zal de 'wereld' met hem doen
omhoog geheven : vernederd en verheerlijkt
dus : een uitdaging tot geloof in Jezus als de Christus
aanwezigheid van God in mensen die leven in Jezus' geest
eeuwig leven

TEKST

(3,13) Alleen Hij die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen : de Mensenzoon. (14) Maar evenals Mozes de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, (15) zodat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven bezit. (16) Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit. (17) Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden.

TOELICHTING / ACHTERGROND

Het vierde evangelie is wat taal en stijl betreft totaal verschillend van de andere drie, de synoptische evangeliën. Maar ook het geografisch kader verschilt nogal wat; zo gaat Jezus bij Johannes verschillende keren over en weer naar Jeruzalem, ter gelegenheid van het paasfeest of het loofhuttenfeest en telkens zijn dat aanleidingen voor keiharde discussies met de joodse leiders over het geloof in hem als Messias. Zelfs wanneer we bij Johannes 'verhalen' of ‘gewone' gesprekken lijken te vinden, is er altijd meer aan de hand : er is als het ware een symbolische dubbele bodem die zeer theologisch geladen is. Dat is o.m. daar het geval waar  Jezus in gesprekken met mensen soms bijna ongemerkt overgaat in theologische beschouwingen over zijn persoon, zijn relatie met de Vader enz. Zo ook hier.
Nikodemus komt met Jezus spreken (3,1) ergens rond het paasfeest (2,23). Hij is, en dat is natuurlijk zeer opmerkelijk, iemand uit de leidende joodse kringen. Pas heeft Jezus in dit evangelie immers een controverse gehad met de joden door de tempel schoon te vegen ( Jo 2,13-17); dit is een van de weinige verhalen die we ook bij de synoptici vinden, maar dan op het einde van Jezus' openbaar optreden; hier staat het in het begin als een soort programmaverhaal dat wil aantonen dat met Jezus een nieuwe tempel, een nieuwe godsdienst zal komen, temeer omdat hij aan de profetische daad ook nog woorden toevoegt over het afbreken van de tempel en de heropbouw in drie dagen (Jo 2,18-23). In dat kader zit Nikodemus, die later trouwens nog genoemd wordt bij het graf (Jo 19,38), bij Jezus : erg gedurfd. Hij wordt, zoals zovelen in dit evangelie, ten tonele gevoerd als een 'geloofskandidaat', maar dan een uit de groep tegenstanders van Jezus. Maar midden in het gesprek verdwijnt Nikodemus uit het zicht (vanaf 3,13, het begin van onze lezing) en spreekt Jezus over zichzelf in de derde persoon als degene die één is met de Vader en die door de Vader gezonden is als Messias naar de wereld. Eigenlijk is het herneming van die heel moeilijke, maar prachtige proloog uit dit evangelie (Jo 1,1-18). : wat gaat de 'wereld' met deze Jezus doen ? Gaat hij in het donker terecht komen ? Nochtans is Hij de Mensenzoon, een begrip dat we danken aan Da 7,13 : daar komt in een visioen, na de vier beesten, de Mensenzoon te voorschijn, en die zal met God regeren en recht spreken; het gaat om een verhoging van degene die eerst vernederd was.
Het zijn dus verzen die, zoals trouwens het hele Johannesevangelie, uitdagen tot geloof, met name tot geloof in degene die eerst 'omhoog zal geheven' worden. Dit begrip komt bij Johannes vaak voor. Het is bijna tegelijk het moment van uiterste vernedering en lijden, hem aangedaan door mensen die in hem niet de Messias willen zien, en de verheerlijking door God: juist deze mens is de door God gezondene (zie ook Jo 8,28; 12,32-34).
Dat is niet eenvoudig, want 'iemand die op een paal sterft' is een door God uitgeslotene (Dt 21,22-23), maar anderzijds lezen we ook in het O.T dat God zijn dienaar hoog zal verheffen (Js 52,13). Ook Paulus worstelt daarmee ( zie bijv. Gal 3,13), maar hij verzoent die twee gedachten bijv. in zijn Christushymne (Fil 2,9). In elk geval : geloven de joden in die Jezus van Nazareth ? Daar draait het om.

Ter afronding
Met deze verzen is er in een uitvaartliturgie zeker voorzichtigheid geboden, omdat het een typisch Johanneïsche tekst is, waarin mensen uitgedaagd worden om in Jezus van Nazareth als Christus van God te geloven. De woorden uit vers 18 over oordelen en veroordelen mogen ons niet op een verkeerd spoor zetten;  Johannes is gewoon hard voor hen die Jezus niet willen erkennen : zij hebben het echte leven uit God niet gezien, zij die wel geloven hebben het eeuwige leven, maar we moeten opletten met deze begrippen. Misschien zit er wel een mogelijke toespeling in op de overkoepelende aanwezigheid van God in de mensen die leven in Jezus' geest.


Johannes 12,23-28

'heidenen' komen naar Jezus luisteren
de leidende Joden nemen hem niet aan
de natuur sterft
de graankorrel moet sterven
'het uur' wijst op lijden en dood, het onontkoombare gevolg van zijn leven
'het uur' wijst ook op de verheerlijking
het leven winnen door het te verliezen
pijn .. ja, maar doorgaan tot het kruis


TEKST

Jezus' laatste openlijke optreden
(23) Jezus gaf hun (Filippus en Andreas) ten antwoord : "Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. (24) Waarachtig, Ik verzeker jullie : als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijpe vruchten voort. (25) Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwige leven. (26) Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn : wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader. (27) Nu het zover is, is mijn ziel ontsteld. Zal ik dan zeggen : 'Vader, red Mij uit dit uur?' Nee, want juist daarom ben Ik gekomen : met het oog op dit uur. (28) Vader, verheerlijk uw Naam!" Toen klonk er een stem uit de hemel : "Die heb Ik verheerlijkt en ook nu zal Ik Hem verheerlijken".

TOELICHTING / ACHTERGROND

Het vers over de graankorrel (12,24) spreekt tot de verbeelding en roept meteen een nauwe verbondenheid op met wat we allen in de natuur ervaren. Daarbij geeft het tweede deel van deze teksteenheid ook woord aan Jezus' droefheid en pijn. Toch is dit geen eenvoudige tekst. Hij kadert helemaal binnen de Johanneïsche theologie en christologie, hoewel we hem vaak 'apart' willen verstaan.
Onze tekst wordt ingeleid door een vraag van Grieken (12,20-21) om 'Jezus te zien te krijgen'. Wellicht gaat het om 'heidenen' die naar het einde Jezus nabij willen komen. Dit is vrij belangrijk omdat de auteur van het vierde evangelie er voortdurend op gewezen heeft dat de 'leidende' joden hem niet aannemen.
Alles gebeurt op deze plaats in het Johannesevangelie nog altijd n.a.v. het gebeuren met Lazarus (11,1-16). Na Lazarus' opwekking is er een complot tegen Jezus  (11,45-57), en er is zelfs een plan om Lazarus te doden (12,9-11). Dus 'Lazarus' blijft als het ware een hele tijd nazinderen. Ook in de episode over de intocht in Jeruzalem, die onmiddellijk aan onze tekst voorafgaat, is Lazarus niet ver weg (12,17-18). Het slot van die perikoop is een woede-opwelling van de Farizeeën (12,19) : "Zie je wel, we komen geen stap verder. Kijk maar, de hele wereld loopt hem achterna." En dan  komen de Grieken, die Jezus wel willen ontmoeten.
Maar ... i.p.v. een wonderteken, i.p.v. een glorierijke Jezus krijgen de Grieken dus een woord dat zijn 'werkelijkheid' ontleent aan de natuur die sterft en leeft. Jezus koppelt bovendien het woord van de graankorrel aan 'het uur' (26x maal vermeld in dit evangelie). Het uur wijst op lijden en dood, het onontkoombare gevolg van zijn goddelijke manier van leven, maar tegelijk op de verheerlijking. Wie Jezus daarin wil volgen, zal in zijn Naam erkenning vinden bij de Vader (12,26c) met wie Jezus één is. Het heeft natuurlijk te maken met de gedachte die we ook in de synoptische traditie vinden over het verliezen van het leven en het daardoor winnen. (bijv. Mc 8,34-38//Mt 16,24-25// Lc 9,23-24 en ook Mt 10,39//Lc 17,33)
Bij Johannes vinden we geen Getsemane-verhaal (" mijn ziel is bedroefd ..; laat deze beker ...) maar in 12,27-28 stoten we wel op twee verzen die Jezus' gevoelens verwoorden. Pijn ... ja, maar doorgaan tot het kruis ...

Eigenlijk gaat het verhaal nog verder. Zoals in het verheerlijkingsverhaal op de berg bij de synoptici (wat we gewoonlijk het Taborverhaal noemen) komt er ook hier een stem uit de hemel die Jezus 'verheerlijkt', want ... de mensen die hadden staan luisteren (12,29) moeten het ook allemaal weten. Ze werpen nog iets op uit de wet : een Mensenzoon die wordt 'omhoog geheven op een kruis' kan toch niet ! En even later worden die omstanders met een toespeling op 'licht' en 'duisternis' - een gedachte die Johannes heel dierbaar is - op hun ongeloof gewezen, of juister : op hun onjuiste invulling van de Messiasverwachting. Deze Messias zal juist wel moeten lijden en sterven, omdat hij zo goddelijk heeft geleefd.

Ter afronding
 Als we de tekst in zijn geheel beschouwen wordt hier het geloof van 'vreemden' afgewogen tegen het geloof van de zgn. gelovigen. De evangelist doet dit door Jezus' onontkoombaar lijden en sterven én het opgewekt worden door God, te vergelijken met de graankorrel die moet sterven om vrucht voort te brengen. In het evangelie draait alles om een verkeerde Messiasverwachting : kunnen de joden geloven in een Messias die moet sterven aan een kruis of niet ? Kunnen ze geloven dat God zelf onder dit schijnbaar gebroken leven zijn handtekening zal plaatsen ?
Toch kan het vers over de graankorrel een mooi uitgangspunt zijn voor een homilie. Mensen voelen dit gegeven uit de natuur spontaan aan en Jezus heeft het op zijn eigen leven en sterven toegepast.


Johannes 14,1-6

een stukje afscheidsrede
dus : testamentaire geladenheid
ongerustheid van de eerste christenen
"jullie geloven in God; geloof ook in mij"
een 'Ik ben'-woord van Jezus : ik ben de weg, de waarheid en het leven
in het huis van de Vader kunnen velen hun verblijf houden
oervertrouwen
Jezus' leven verder leven

 TEKST

(14,1) (In zijn afscheidsrede zei Jezus tot zijn leerlingen) "Jullie moeten je niet zo laten verontrusten. Jullie geloven in God; geloof zo ook in Mij! (2) In het huis van mijn Vader kunnen velen hun verblijf houden. Zou ik anders gezegd hebben dat Ik wegga om voor jullie een plaats gereed te maken ? (3) Ja, ik moet weggaan en voor jullie een plaats gereed maken, maar Ik kom terug, en dan neem Ik jullie bij Me op, zodat daar waar Ik ben, ook jullie zullen zijn. (4) En waar Ik heen ga - de weg daarheen is jullie bekend." (5) "Maar Heer", zei Tomas,  "we weten niet eens waar U heen gaat; hoe zou de weg ons dan bekend kunnen zijn ?" (6) Jezus antwoordde : "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Alleen door Mij heeft men toegang tot de Vader."

TOELICHTING / ACHTERGROND
Dit stukje evangelie moeten we kaderen binnen het grotere geheel van de afscheidsredes (de 'redes à Dieu') die zo typisch zijn voor het vierde evangelie.  Ze lopen van 13,31 tot 16,33. Daaraan gaat dan nog eens de voetwassing (13,1-20) vooraf. Dat betekent dat we in een erg 'testamentair geladen' gedeelte van dit evangelie zitten. Voetwassing en afscheidsrede worden nog even van elkaar gescheiden door de aankondiging van Judas' verraad (13,1-30) met de uitdrukkelijke vermelding : "Het was nacht" (13,30). Wie weet dat Johannes al van in de proloog van zijn evangelie speelt met 'licht' en 'donker' voelt meteen aan dat alles wat nu volgt van inslaande betekenis zal zijn.
Zo ook dus de woorden uit dit gekozen tekstfragment. Jezus heeft Petrus net gewezen op de moeilijkheid om hem te blijven volgen in het lijden en op zijn verloochening (13,36-38) en dan spreekt hij vanaf vers 39 blijkbaar over Petrus heen tot alle leerlingen.
De herhaalde vragen van Tomas over het heengaan en de weg, de vraag van Filippus over het zien van de Vader vatten op deze plaats in het evangelie wellicht de ongerustheid samen van de eerste christenen om Jezus te volgen nu ze hem niet meer zien. De leerlingen hebben nog niet geleerd uit wat voorafgaat. Wat hij gedaan en gezegd heeft, is blijkbaar niet voldoende om in het zicht van het afscheid voldoende moed te houden.
Daarom : "Jullie geloven in God; geloof ook in mij" (14,1). Het is het verlengde van : "Wie mij ziet, ziet de Vader" (14,9). Meer dan ooit komt op deze plaats in het vierde evangelie de band Vader-Zoon tot uiting.
Deze Jezus is de waarheid, een begrip dat in het O.T. vaak wordt gebruikt om de betrouwbaarheid van God aan te duiden als een bindende norm waaraan men zich kan overgeven. Hij is ook de weg, opnieuw een geladen oudtestamentisch begrip: zovele wegen zijn er daar bewandeld door godsmannen en door het godsvolk, en even zo dikwijls lezen we dat God bij hen was op hun tocht. Welnu, deze Jezus is niet zomaar een weg; hij is dé weg : zijn manier van leven is de goddelijke. Samen met het begrip 'leven' wordt de twee andere begrippen hier (14,6) gevormd tot een sterk zgn. 'Ik ben'-woord van Jezus, een gezagvolle uitspraak, zoals we er alleen in dit evangelie vinden.

Wat dan met "in het huis van mijn Vader kunnen velen hun verblijf houden" (14,2) ? Vanuit exegetische overwegingen is dit niet de pointe van de tekst, maar vaak wordt hierop in een uitvaartliturgie toch de nadruk gelegd met een troostende bedoeling in het achterhoofd.
Opnieuw kadert dit vers in de ongerustheid van de eerste christenen n.a.v. de afwezigheid van Jezus. 'Het huis van mijn Vader' kan een verwijzing zijn naar de voorstelling die de christenen hadden over de 'hemelse woning'. Misschien zinspeelt de evangelist met 'vele verblijven' of 'verblijf voor velen' op de grote verscheidenheid aan voorstellingen over het hiernamaals die onder joden en christenen circuleerden.  Natuurlijk drukt het ook de uitermate evangelische gedachte uit dat ieder mens bij God 'thuis' kan komen.

Ter afronding
Dit stukje tekst is een duidelijk christologische tekst, helemaal gevat in het kader van het Johannesevangelie en dan nog specifiek in het kader van de afscheidsredes. Toch mogen we zeggen dat deze verzen ook getuigen over het feit dat dit afscheid geen afscheid is, dat leraar en leerlingen weer samen zullen zijn, dat verraad en verloochening niet het laatste woord zullen hebben. Het gaat dus misschien wel om een oervertrouwen over de dood heen. Maar ondertussen wil Jezus dat zijn leerlingen zijn leven verder zetten - vandaar zijn talloze toespelingen op de onderlinge liefde en vrede - en dat ze het daarbij, ondanks alles, goed hebben. Daarom, vertelt de afscheidsrede verder, zal hij hen een Helper zenden. (14,15-17)


Johannes 14,7-12

(N.B. Vaak wordt deze tekst gelezen samen met Jo 14,1-6. Gelieve dus ook naar de aantekeningen bij die lezing te kijken!)

afscheidsrede met testamentaire kracht
geloven in het licht na de nacht
leven zoals hij het gedaan heeft
pijnlijke onzekerheid bij de eerste christenen: moeten verder leven zonder Jezus bij hen
'laat ons de Vader zien ...' maar 'Ik en de Vader zijn één'
christologische tekst
bemoediging
doorgaan in het leven, ondanks sterven

 TEKST

(7) (In zijn afscheidsrede zei Jezus tegen zijn leerlingen:)" Als jullie Mij hebben leren kennen, zul je ook mijn Vader leren kennen. Sterker, nu al kennen jullie Hem en heb je Hem gezien". (8) Hierop zei Filippus :" Laat ons de Vader zien, dan zijn we tevreden!" (9) En Jezus weer :" Ik ben al zo lang bij jullie, Filippus, en je hebt Me nog niet leren kennen? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Hoe kun je dan nog zeggen: 'Laat ons de Vader zien' (10) Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in mij? De woorden die Ik tot jullie spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf : het zijn daden van de Vader, die in Mij blijft. (11) Geloof Me toch : Ik be in de Vader en de Vader is in Mij; of geloof het anders op grond van de daden. (12) Waarachtig, Ik verzeker jullie : wie in Mij gelooft, zal de daden die Ik verricht ook zelf verrichten; ja, nog grotere zal hij verrichten, want zelf ga Ik naar de Vader."

TOELICHTING / ACHTERGROND

We hebben hier te maken met een typisch Johanneïsche tekst die zich situeert binnen het grotere geheel van de testamentair geladen afscheidsrede (soms ook de 'rede à Dieu' genoemd) in het vierde evangelie. Die begint in 13,31 en eindigt in 16,33. Even ervoor hebben we in dit evangelie Jezus' testamentair gebaar van de voetwassing gelezen (13,1-20) en de voorspelling van Judas' verraad (13,21-30), een passage die eindigt met "het was nacht" (13,30). Wanneer we weten dat de auteur van dit evangelie al van in zijn proloog speelt met de begrippen 'licht' en 'donker', dan voelen we aan, dat wat nu gaat komen, van diepgaande betekenis zal zijn. De woorden die hij gaat spreken vlak voor het donker van zijn lijden en dood moeten de leerlingen enerzijds al doen geloven in het licht na de nacht, en hen anderzijds de moed geven om te leven zoals hij het gedaan heeft, zonder dat hij nog bij hen is. Na zijn gebaar van de voetwassing krijgen dus ook zijn woorden een testamentaire kracht, zeker nadat hij vlak ervoor nog een overmoedige Petrus voorspelt dat hij hem driemaal zal verloochenen.
De vraagstelling van Tomas : "We weten niet eens waar U heen gaat; hoe zou de weg ons dan bekend kunnen zijn ?" (14,5) in de verzen vóór dit tekstfragment van 14,7-12, geeft wellicht ook al de pijnlijke onzekerheid weer van de eerste christenen die Jezus willen naleven zonder dat hij er is. Ook de vraag van Filippus zit in die lijn. Blijkbaar hebben de leerlingen, die 'toch al zo lang bij hem zijn' (14,9), nog niet begrepen dat ze in Jezus' woorden en daden de Vader zelf zien. Filippus vraagt, met het nakende afscheid voor ogen, nog een teken ter bevestiging :"Laat ons de Vader zien, Heer, dan zijn we tevreden !" (14,8)
Jezus doet en zegt dan niets anders dan wat het hele evangelie al duidelijk ad moeten maken : Hij en de Vader zijn één. Dat antwoord moet voldoende zijn.
Om de boodschap helemaal af te ronden bemoedigt Jezus zijn leerlingen die gaan achterblijven met de toezegging dat leerlingen die in hem geloven dezelfde dingen zullen doen. Als aanmoediging kan dit tellen. Maar hij laat het daar niet bij. Hij wil hen met goddelijke spirit bijstaan, zegt het vervolg : hij zal hen een Helper sturen, de Geest van waarheid. (14,16-17).

Ter afronding

Dit stukje tekst (dat eigenlijk een geheel vormt met 14,1-6) is een christologische tekst die helemaal kadert in de geloofsgetuigenis van het vierde evangelie en daarbinnen nog in de typisch Johanneïsch gekleurde en gestructureerde afscheidsrede. De pointe is hier dat leerlingen Jezus moeten naleven, zonder dat hij er is. Daarbij hebben ze natuurlijk een groot geloof nodig in de eenheid Vader-Zoon, en in het leven van de Zoon bij de Vader. Uiteindelijk gaat het om een doorgaan in het leven, ondanks het sterven.

Johannes 15,1-8

de testamentaire afscheidsrede, de rede à Dieu
geruststellende verbondenheid
een sterk 'Ik ben'-woord : Ik ben de ware wijnstok
eenheid tussen Jezus en zijn Vader
verbondenheid tussen Jezus en zijn leerlingen
onderlinge liefde
leerlingen moeten vruchten dragen

TEKST

"(15,1) Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier. (2) Als een van mijn ranken geen vrucht draagt, snoeit Hij die weg. En als een rank wel vrucht draagt, snoeit Hij die bij, zodat ze gezuiverd wordt en nog rijkelijker vrucht draagt. (3) Jullie zijn al gezuiverd door het woord dat Ik jullie verkondigd heb. (4) Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en Ik, want zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook jullie geen vrucht dragen, als je niet met Mij verbonden blijft. (5) Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Alleen wie met Mij verbonden blijft - zoals Ik met hem - draagt rijkelijk vrucht, want los van Mij kunnen jullie niets. (6) Wie niet met Mij verbonden blijft, wordt weggegooid als een wijnrank : ze verdorren, men haalt ze bijeen en gooit ze in het vuur, waar ze verbranden. (7) Als jullie met Mij verbonden blijven en mijn woorden in jullie blijven, vraag dan wat je wilt, en het valt je ten deel. (8) Mijn Vader wordt verheerlijkt wanneer jullie rijkelijk vrucht dragen en jullie je mijn leerlingen betonen."

TOELICHTING / ACHTERGROND

Nadat Jezus in het Johannesevangelie zijn leerlingen de voeten heeft gewassen en daaropvolgend Judas als de verrader heeft aangeduid, begint hij aan een lange redevoering, een soort afscheidsrede, die loopt van 13,31 tot 16,33, waarna Jezus dan in hoofdstuk 17 van spreektoon verandert en dat hele hoofdstuk bidt. Meer dan 4 hoofdstukken lang is Jezus dus aan het woord vóór in hoofdstuk 18 het lijdensverhaal begint. Bij Johannes is er dus geen sprake van een laatste avondmaal, maar wel van een bijzonder lange afscheidsrede, een testamentaire 'rede à Dieu'. In die rede drukt hij zijn leerlingen bij wijze van testament een aantal dingen op het hart : de eenheid tussen hem en de Vader moeten ze blijven zien; ze moeten beseffen dat ze met Jezus en zo met de Vader verbonden zijn en vooral : ze moeten de onderlinge liefde behouden en zo vruchten voortbrengen. Het geheel ademt een totale verbondenheid uit, een geruststellende verbondenheid, ook als Jezus er niet meer is.
Dat is ook de kern van deze lezing : door verbondenheid met Jezus en met elkaar vruchten voortbrengen. Om dit aan te tonen gebruikt Jezus een beeld uit het Oude Testament : het beeld van de wijnstok, de wijnranken en de wijngaardenier. Johannes maakt er een zgn. 'Ik ben'-woord van : 'Ik ben de ware wijnstok'. Op een zevental plaatsen in dit vierde evangelie, verklaart Jezus min of meer plechtig 'Ik ben ...' (het levend brood, het licht van de wereld, de goede herder, de deur voor de schapen, de verrijzenis en het leven, de weg, de waarheid en het leven en hier dus : de ware wijnstok.) Het gaat telkens om bekende beelden uit het O.T. die in Jezus' doen en laten vol Leven zijn gestroomd. Vaak spreekt hij ze uit op scharniermomenten in zijn leven, letterlijk op 'cruciale' momenten, niet zelden na een conflict (of in een conflict) met de geestelijke leiders van de joden. Hier spreekt hij het uit vlak voor aan de gezichtseinder het kruis opdoemt.
Dit woord 'Ik ben de ware wijnstok' doet de leerlingen naar het einde van zijn  leven terugdenken aan die pijnlijke allegorie van de wijnstok in Js 5,1-7, waarin God als wijngaardenier droef wordt omdat de wijnrank Israël niet geleefd heeft volgens het verbond. Welnu, in Jezus is dit helemaal recht gezet. Hij is de ware wijnstok. In hem wordt God duidelijk. Maar hij vraagt nu de leerlingen om door te gaan, om, ook na zijn dood, met hem verbonden te blijven en dus met de uiteindelijke Grond van het bestaan. Zij zullen zijn woorden moeten spreken en zijn daden moeten stellen. Dat dit niet eenvoudig zal zijn, drukt hij hen even later ook nog wel op het hart in diezelfde afscheidsrede (vervolging en haat van de wereld zullen hun deel zijn, lees even Jo 15,18-27). Maar toch moet het zo. Een Jezusleerling moet vrucht dragen en het goddelijke levenssap tot in alle takjes van het leven laten doorstromen.
Hoeft het verwondering te wekken dat hij na deze verzen nog eens uitdrukkelijk doorgaat op de liefde tussen hem en de Vader en op de onderlinge liefde tussen hen ?


Ter afronding

Hoewel dit natuurlijk verzen zijn die exact bedoeld op deze welbepaalde plaats in het Jezusverhaal van de vierde evangelist staan, bieden ze toch een aanzet om - universeel - over menselijke en goddelijke verbondenheid te spreken, ondanks de dood. Op deze wijze kunnen mensen het leven, ondanks alles, verder leven en vruchten voortbrengen.



Johannes 15,7-19

testamentaire afscheidsrede : de rede à Dieu
verbondenheid met Jezus en met elkaar
verdere ontrafeling van ‘Ik ben de ware wijnstok’
vruchten van liefde

TEKST

(15,9) "Met de liefde die de Vader Mij heeft toegedragen, heb Ik jullie liefgehad. Blijf in die liefde met Mij verbonden. (10) Als je mijn opdracht ter harte neemt, zul je in liefde met Mij verbonden blijven, zoals ook Ik de opdracht van mijn Vader ter harte heb genomen en met Hem in liefde verbonden blijf. (11) Dit alles heb Ik jullie gezegd om jullie deelgenoot te maken van mijn eigen vreugde, en zo jullie vreugde volkomen te maken. (12) Dit is mijn opdracht : dat jullie elkaar liefhebben met de liefde die Ik jullie heb toegedragen. (13) De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft. (14) Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie ook doen wat Ik jullie opdraag. (15) Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer : een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld. (16) Niet jullie hebben Mij uitgekozen, nee, Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven erop uit te gaan en vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn. Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam, Hij zal het je geven. (17) Dit draag ik jullie op : dat je elkaar liefhebt."

TOELICHTING / ACHTERGROND

In het vierde evangelie neemt Jezus op een totaal andere manier afscheid van zijn leerlingen dan in de synoptische evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas). Bij deze drie vinden we o.m. het zgn. instellingsverhaal, maar bij Johannes vinden we in plaats daarvan een uitgebreide redevoering van Jezus tot zijn leerlingen. In Jo 13,1-20 lezen we de eigen Johanneïsche tekst over de voetwassing, een soort profetische tekenhandeling die Jezus' heel optreden in een gebaar samenvat; dan komen de voorspellende woorden over het verraad van Judas (Jo 13,21-30) en dan begint de afscheidsrede, die - in twee delen, want schijnbaar even onderbroken in 14,31c - loopt van  Jo 13,31 tot 16,33. Heel wat bijbeltheologen nemen er ook nog het volledige hoofdstuk 17 bij, wat we vroeger het 'hogepriesterlijk' gebed van Jezus noemden, maar eigenlijk gewoon een afsluitend gebed is van de hele afscheidsrede. Dat betekent dat we meer dan vier hoofdstukken lang horen hoe Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen, hoe hij hen  à Dieu zegt, hoe hij testamentair op het hart drukt, wat ze hier en nu moeten doen 'tot we elkaar bij God weerzien'.
Het is goed om de afscheidsrede eens helemaal door te lezen. De thema's die in de hele afscheidsrede aan bod komen zijn deze : eenheid van Jezus met de Vader; zijn leerlingen zijn Jezus' vrienden die alles weten over de Vader; zo zijn ze met Jezus tot in de kleinste vezels verbonden; leerlingen moeten vruchten dragen; onderlinge liefde draagt alles ...
Van dat alles krijgen we in deze gekozen tekst kleine fragmentjes te horen. het is dan ook een verdere ontrafeling van het zo bekende 'Ik ben de ware wijnstok'-woord van Jezus in dit evangelie (Jo 15,1). Op een zevental zeer cruciale plaatsen in het vierde evangelie spreekt Jezus heel plechtig : 'Ik ben ...', wat dan verder aangevuld wordt met een oudtestamentisch beeld (brood, herder, deur voor de schapen, licht, weg, leven, waarheid ...), dat Jezus op zichzelf toepast. Hier bij het bijna-einde gaat het dus om de wijnstok. Wellicht doet dit woord de toehoorders denken aan de tekst van Js 5,1-7, een aanklacht tegen Israël, dat Gods verwachtingen niet inlost. Maar Jezus is de ultieme wijnstok en zijn Vader de uiterst geduldige en zorgzame wijngaardenier. Zij zijn met elkaar verbonden. Zo zijn de leerlingen dan de ranken : dus, uiterste verbondenheid ... en vruchten van liefde.
Maar dat houdt heel wat in : leerlingen moeten leven zoals hij, vruchten dragen en werken aan mens en wereld zoals hij; dan zal het goddelijk sap overal doordringen. Voorwaarde voor dit alles - en dit is misschien wel het kleine accentje van deze verzen in de gehele afscheidsrede - is de onderlinge liefde. Als er iets een testamentaire opgave is, is het wel deze: heb elkaar lief. Jezus gaat natuurlijk nog verder : uiteraard zullen de leerlingen terecht komen in een wereld vol haat, zelfs van vervolging, maar dan komt het erop aan te blijven liefhebben (Jo 15,18-27).

Ter afronding


We hebben hier te maken met een typisch Johanneïsche tekst, die we inderdaad moeten verstaan vanuit het geheel van het vierde evangelie. Maar de boodschap van liefde is toch duidelijk. daarom kunnen die woorden nu nog testamentair klinken bij elk afscheid waar 'liefde' als gave en opgave wordt nagelaten.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten