Mattheüs 11,25-30
Jezus is degene die door de Vader is gezonden
een
bemoedigende openbaring
eenvoudigen
krijgen opnieuw de voorkeur
Jezus'
last is licht tegenover de last die Farizeeën de mensen opleggen
zijn
weg volgen geeft rust
TEKST
(11,25) In die tijd nam Jezus het woord : 'Ik dank U,
Vader van hemel en aarde, omdat U verborgen hebt gehouden voor wijzen en
verstandigen en het hebt onthuld aan eenvoudigen. (26) Ja, Vader, zo hebt U het
goed gevonden. (27) Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand
kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en
ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen. (28) Kom allen naar Mij toe
die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. (29) Neem mijn juk op en
kom bij Mij in de leer, omdat ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u
zult rust vinden voor uw ziel. (30) Want mijn juk is zacht en mijn last licht.’
TOELICHTING / ACHTERGROND
Met deze uitspraken zitten we in een soort 'tussentijdse
balans' in de verhaallijn van het Matteüsevangelie. Jezus heeft de twaalf net toegesproken over hun
opdracht (10,5 - 11,1); dan is er de vraag van Johannes de Doper vanuit de
gevangenis en het antwoord van Jezus daarop met de toespeling op wat hij doet
met vooral de nadruk op de 'blijde boodschap die aan armen wordt verkondigd'
(11,2-5). Jezus waarschuwt dan in 11,6 zeer uitdrukkelijk : 'Zalig die aan Mij
geen aanstoot neemt.’ Jezus
vertelt dan zelf verder over Johannes de Doper als zijn voorloper (11,7-19),
met tussenin voortdurend een schampere uitlating naar de degenen die het niet
'willen verstaan'; tenslotte is er de harde waarschuwing aan de steden van
Galilea (11,20-24). Met andere woorden : velen hebben Jezus tot hiertoe aan het
werk gezien; ze hebben gezien welke mensen hij 'gelukkig' prijst, hoe hij met
marginale mensen omgaat, hoe hij staat tegenover de wet om de wet. Vanaf nu
moeten ze een beslissing nemen : voor hem of tegen hem. Maar hij kan niet
anders dan eerst nog eens benadrukken dat hij degene is die door de Vader is
gezonden. Het zijn woorden die we in het
vierde evangelie, het evangelie van Johannes, overvloedig vinden, maar ook
hier, op een scharnierpunt in het verhaal van Matteüs : de eenheid Vader -
Zoon. Op de eerste plaats zijn deze verzen, waarvan het niet eens heel
duidelijk is tot wie hij ze hier uitspreekt, dus in elk geval een stukje bemoedigende
openbaring voor wie het in Jezus wel zien en van daaruit verder willen leven.
Het is bijzonder merkwaardig dat hier de eenvoudigen blijkbaar de boodschap wel verstaan, maar zij die prat gaan op hun (wet)kennis niet. De
aanhaling van de eenvoudigen doet onmiddellijk terug denken aan de zaligprijzing van de 'armen van
geest', helemaal in het begin van de bergrede (5,3). Ook in 18,1-4 maakt hij
duidelijk dat de 'grootste' in het Rijk der hemelen 'klein' zal moeten worden
als een kind. Opnieuw wordt de gewone mens zalig geprezen, de mens
zonder franje, maar de mens die ziet dat wat Jezus zegt en doet uit God is.
Vaak wordt de lezing in een uitvaartliturgie echter
toegespitst op 11,28-30, en dit zijn verzen die helemaal eigen zijn aan
Matteüs. Ze geven op het eerste zicht
uitzicht op rust aan ieder die uitgeput is en die bij Jezus 'in de leer
komt en zijn juk opneemt'. Maar we moeten hierbij wel bedenken dat Jezus'
juk zacht is in tegenstelling tot het harde juk van 'zware en ondraaglijke
lasten' dat Farizeeën en schriftgeleerden
de mensen opleggen (zie hiervoor Mt 24,3-4, het begin van Jezus' strafrede tegen
de Farizeeën en schriftgeleerden), terwijl hun eigen daden niet in
overeenstemming zijn met hun woorden, iets waarvoor hij op het einde van de
bergrede ook al waarschuwde (Mt 7,24-27). Jezus' juk is zacht: op een
goddelijke manier met mensen bezig zijn is niet zwaar; nochtans is dat het
enige wat een leerling van Jezus moet doen. Dat is heel wat anders dan de
wetten volgen tot in de kleinste belachelijke puntjes. Jezus' weg is de goede
weg. Om dat aan te tonen verwijst hij naar een uitspraak van Jeremia die het
volk vlak vóór de Babylonische ballingschap nog waarschuwt en hen aanmaant om
de 'oude weg' van het verbond weer te bewandelen : dan zal het volk weer rust vinden. (Jr 6,16 aangehaald in Mt 11,29). Toen
heeft het volk niet geluisterd, zal het dat nu wel doen ? In het midden van het
evangelie is dit een cruciale vraag.
Ter afronding
Naar deze verzen wordt in de uitvaartliturgie wel eens
gegrepen wanneer men afscheid neemt van een mens die ernstig geleden heeft, of
die lang en soms vruchteloos op zoek is geweest naar rust. (Soms gaat het dan
om iemand geprobeerd heeft rust te vinden door uit het leven te stappen, en in
combinatie met bijv. enkele verzen uit Prediker zou dit een mogelijke
combinatie van bijbelse lezingen zijn.) Natuurlijk gaan deze uitspraken daar
niet echt over (laat staan over de eeuwige rust): ook deze woorden moeten we in
principe verstaan binnen het volledige verhaal van Matteüs. Niettemin kan de
rust die het eenvoudige navolgen van Jezus biedt, een aanleiding zijn, zeker in
combinatie met de nadruk op de eenvoud die we ook in de vorige verzen vinden,
een mooi vertrekpunt zijn voor een homilie.
Mattheüs 24,42-47
vijfde en laatste redevoering van Jezus
paroesierede of rede over de wederkomst
een testamentair karakter
alertheid
actieve zorgzaamheid
waken: met de zaak van God en van de mensen bezig zijn
TEKST
(42)"Wees dus waakzaam,
want je weet niet op welke dag jullie Heer komt. (43)Want je weet: als de heer
des huizes geweten had in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan was hij
wakker geweest en had hij het inbreken in zijn huis wel verhinderd. (44) Daarom
moeten juist jullie voorbereid zijn, omdat de Mensenzoon komt op een uur waarop
je het niet verwacht. (45) Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf die de
heer heeft aangesteld over zijn huispersoneel om hun op tijd eten te geven
?(46) Gelukkig is de slaaf die de heer daarmee bezig vindt bij zijn komst. (47)
Ik verzeker jullie, hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen."
TOELICHTING / ACHTERGROND
We hebben hier te doen met een stukje tekst uit de vijfde en laatste
redevoering van Jezus in het
Matteüsevangelie. De eerste evangelist stelt Jezus aan zijn joods-christelijke
lezers voor als een nieuwe Mozes. Die lezers kennen natuurlijk de figuur van
Mozes zeer goed en weten dat hij vijf 'leerstellige' boeken op zijn naam heeft
steen, de Torah of Pentateuch (Gn, Ex, Lv, Nu en Dt). Zo ook houdt Jezus in dit
evangelie vijf maal een lange toespraak tot zijn leerlingen. De eerste daarvan
is de bergrede (Mt 5-7) en de laatste is de paroesierede of de rede over de wederkomst (Mt 24-25). Het is
uit deze toespraak dat dit tekstfragment is genomen.
Een soort paroesierede of minstens een bundeling van paroesie-uitspraken
vinden we ook bij de andere synoptici (Marcus en Lucas). Toch heeft het geheel
bij Matteüs nog een andere toets. De vele 'waakzaamheid'-uitspraken worden bij
hem nog vervolledigd door enkele eigen parabels, nl. de vijf verstandige en de
vijf dwaze meisjes die de bruidegom tegemoet gaan (Mt 25,1-13) en de talenten
(Mt 25,14-30) en afgesloten met het visioen van het laatste oordeel ('Ik had
honger ...' Mt 25,31-46). Het geheel is bij hem erg intrigerend en heeft een
onmiskenbaar testamentair
karakter : dit moeten zijn leerlingen nog weten ! De hele rede doet ons
enigszins huiveren, omdat we niet vertrouwd zijn met de apokalyptische
literatuur van die tijd. De hele toespraak kadert in de vraag van de leerlingen
(lees Mt 24,1-4) naar het 'wanneer van deze dingen'. Wellicht leefden velen in
de verwachting van een nabije voleinding van de tijden (of de zgn. wederkomst,
paroesie) en maakten ze daarover ook een aantal fantasierijke bedenkingen.
Gezeten op de Olijfberg, die
al van oudsher in verbinding werd gebracht met Gods wederkomst, antwoordt Jezus
corrigerend, maar dus ook in de stijl van de apokalyptiek. Hij waarschuwt voor
valse profeten en messiassen (Mt 24,4-5.23-24.), wijst op het onvermijdelijke
van vervolgingen (Mt 24,9-14) en voegt er gruwelijke beelden aan toe. Stilaan
komt hij dan tot de waakzaamheid-uitspraken. Zo vinden we er ook in dit
fragment (dat trouwens alleen een parallel heeft met enkele Lucasverzen, maar
dan op een heel andere plaats in zijn evangelie, nl. Lc 12,39-44).
De toon is er vooral een van alertheid en actieve zorgzaamheid. Een Jezusleerling moet, zoals Jezus zelf, met
de zaak van God en van de mensen bezig zijn. In naam van God moet hij zorgzaam omgaan met mensen. Er zijn geen
andere dingen. Zo 'waakt' een Jezusleerling over wat Jezus hem heeft
voorgeleefd; zo 'waakt hij bij en over' het goddelijke in het leven en dat is niet aan een of ander tijdstip gebonden.
Het gaat om een voortdurend geïnspireerde levenshouding.
Merk op dat in dit stukje de term Mensenzoon wordt gebruikt. Vanaf het verhaal over de
belijdenis van Petrus (zie vooral Mt 16,13) en zeker vanaf de
lijdensvoorspellingen (zie bij Mt 17,22; 17,18 e.a.) zien we deze titel
verschijnen. Ook in het visioen van het laatste oordeel is de Mensenzoon de
leidende figuur die oordeelt. Hij is ontleend aan het al even apokalyptisch
getinte boek Daniël (Dn 7,13). Na de 'vier beesten' komt de mensenzoon te voorschijn
die over alles en iedereen zal heersen en oordelen. Het gaat blijkbaar om de 'verhoging'
van iemand die eerst zeer erg vernederd is geweest. Deze Jezus, zo getuigen de evangelisten met deze
term, zal eerst lijden, maar zal de uiteindelijke goddelijke norm en rechter
zijn over het leven.
Ter afronding
Waakzaamheidsideeën doen ons huiveren en zeker in het verleden hebben deze
teksten ooit mensen beangstigd. Gelezen op deze plaats in het evangelie zijn ze
toch gericht als een aanmoediging en ondersteuning aan allen die proberen te leven in Jezus' lijn.
Zij zullen echt thuis komen bij God.
Mattheüs 25,1-13
een heel eigen Matteaanse
parabel
de laatste redevoering van
Jezus, de paroesierede
testamentaire kracht
elementen uit de
apokalyptische literatuur
in het kader van
'waakzaamheid'
bruidegom
drie stadia in de parabel :
verbazing, inzicht en uitdaging
waken : wat ze in Jezus gezien en gehoord
hebben, koesteren, bewaren en verder leven
goddelijke spirit
ultieme oproep om in zijn Naam
verder te leven
TEKST
(25,1) Dan zal het met het koninkrijk der hemelen gaan als met tien
meisjes, die met hun mampen op weg gingen, de bruidegom tegemoet. (2) Vijf van
hen waren dom en vijf verstandig. (3) Want de domme namen wel hun lampen met
zich mee, maar geen olie. (4)Maar de verstandige namen ook olie mee in kruiken,
niet alleen lampen. (5) Omdat de bruidegom op zich liet wachten, dommelden ze
allemaal in. (6) Midden in de nacht klonk er geroep: "Daar is de
bruidegom! Ga hem tegemoet!" (7) Toen stonden alle meisjes op en maakten
hun lampen in orde. (8) De domme zieden tegen de verstandige: "Geef ons
van jullie olie, want onze lampen gaan uit." (9) Maar de verstandige gaven
ten antwoord: "Nee, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons en voor
jullie; ga liever naar de verkopers en koop voor jezelf." (10) Toen ze weg
waren om te kopen, kwam de bruidegom, en de meisjes die klaar stonden, gingen
met hem mee voor de bruiloft, en de deur ging dicht. (11) Later kwamen ook
andere meisjes en riepen: "Heer, heer, doe open voor ons." (12) Maar
hij antwoordde: "Ik verzeker jullie, ik ken jullie niet." (13) Wees
dus waakzaam, want je kent dag noch uur.
TOELICHTING / ACHTERGROND
In het Matteüsevangelie houdt Jezus vijfmaal een grote toespraak tot zijn
leerlingen. Net zoals Mozes in de ogen van de joden de vijf grote Torah-boeken
op zijn naam heeft staan en daardoor dus hun grote leraar is, geeft Jezus in
het eerste evangelie vijfmaal min of meer plechtig onderricht aan zijn
leerlingen. In die toespraken verwerkt Matteüs woorden die bij andere
evangelisten verspreid staan tot één geheel, maar we vinden er ook heel wat
'eigen stof' in. Zo is deze parabel een heel eigen Matteaanse tekst.
Zoals de bergrede (Mt 5-7) Jezus 'eerste toespraak is in dit evangelie en
daardoor dus een 'programmarede', zo zitten we met deze parabel in de laatste
redevoering en kunnen we dus
spreken vaan een soort testamentaire toespraak. Het geheel wordt de 'paroesierede' genoemd of 'de rede over de wederkomst'. Gezeten
op de Olijfberg - ook de eerste toespraak vindt plaats op de 'berg' - spreekt
Jezus zijn leerlingen toe die vragen wat het teken zal zijn van zijn wederkomst
en van de voleinding van de wereld (Mt 24,3). Dan volgen er die in onze ogen
gruwelijke beelden, die typisch zijn voor de apokalyptische literatuur van die tijd over kosmische verschijnselen, valse
profeten, een vreemde weeklacht over vrouwen die zwanger zijn in die dagen en
een reeks uitspraken over waakzaam zijn. Het geheel doet ons huiveren.
In dat kader van waakzaamheid volgt ook de parabel van de tien meisjes.
Dit is een parabel die, zoals zo vaak, verloopt over drie stadia : verbazing bij de toehoorders (hier dus de
leerlingen), herkenning of inzicht en uitdaging.
Het is voor de leerlingen bijzonder vreemd en verbazingwekkend om in een reeks uitspraken over de wederkomst
plots tien meisjes met of zonder olie te zien opdraven. Ze gaan naar het feest
van de bruidegom, een bekende metafoor voor het Messiaanse voorzegde geluk.
Maar dan begint het bij hen te dagen en volgt er een moment van herkenning
en inzicht : zij hebben Jezus
bezig gezien; zij hebben gezien hoe hij in zijn hele omgaan met mensen
goddelijk licht bracht, hoe hij het gewone, het omhulsel van de wet doorbrak.
Nu is het aan hen. Zij worden uitgedaagd om ten allen tijde waakzaam te zijn. 'Waken' wil in deze betekenis zeggen : dat wat ze in
Jezus' doen en laten gezien hebben, bewaren, koesteren, verder leven in woord
en daad. Zo 'waakt' men in de
meest diepe betekenis bij iemand. Dat moeten ze ten allen tijde blijven doen,
nu hij er binnenkort niet meer gaat zijn. Ze moeten olie in hun lampen hebben, goddelijke spirit; zo zijn ze altijd bij hem en worden ze niet
verrast door dreigende levensomstandigheden. Enkel met het omhulsel van de lamp
rondlopen, zoals Farizeeën en schriftgeleerden in dit eerste evangelie zo vaak
doen, is uit den boze. Dit is, samen met de parabel van de talenten, een testamentaire
oproep van Jezus om in zijn lijn en Naam verder te leven.
Naar een homilie ...
Deze parabel kadert in een
literatuur die niet meteen de onze is. Daarom heeft deze samen met
andere uitspraken over
‘waakzaamheid’ en ‘het niet kennen van dag en uur’ heel wat mensen vaak op een
verkeerd en angstig been gezet. De echte pointe kunnen we maar verstaan,
wanneer we hem binnen het brede kader van Jezus' laatste redevoering plaatsen.
Maar deze woorden kunnen natuurlijk een groot eerbetoon zijn aan mensen
die, ondanks alle mogelijke levensomstandigheden, zijn blijven leven met de
evangelische waarden als grondslag. Zij leven in de spirit van God zelf en zijn thuis bij God.
Mattheüs 25,14-23
de voorgestelde lezing eindigt met 'Kom delen in de vreugde van de Heer'
niet de volledige parabel
testamentaire bedoeling
een parabel met drie stadia :
verbazing, inzicht en uitdaging
ultieme oproep om in zijn Naam te werken aan mens en wereld
bemoedigend
thuis komen
TEKST
(14) Het is al met iemand die naar het buitenland ging. Hij riep zijn
slaven bij zich en vertrouwde hun zijn bezit toe. (15) Aan de een gaf hij vijf
talenten, aan een ander twee en aan een derde één, overeenkomstig ieders
bekwaamheid. En hij vertrok naar het buitenland. (16) Degene die de vijf
talenten gekregen had, ging er meteen mee werken en verdiende er nog vijf bij.
(17) Zo verdiende ook die er twee gekregen had er nog twee bij. (18) Maar die
er één gekregen had, ging een gat in de grond graven en stopte daar het geld
van zijn heer in. (19) Na lange tijd kwam de heer van die slaven terug en hield
afrekening met hen. (20) Degene die de vijf talenten gekregen had, kwam naar
voren en zei : "Vijf talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb
er nog vijf talenten bijverdiend." (21) Zijn heer zei tegen hem :
"Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest,
over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer." (22)
Ook degen die de twee talenten gekregen had, kwam naar voren en zei :
"Twee talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog twee
bijverdiend." (23) Zijn heer zei tegen hem : "Uitstekend, goede en
trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je
aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer."
TOELICHTING / ACHTERGROND
We merken meteen op dat de door het lectionarium van de uitvaart voorgestelde
lezing de eigenlijke parabel van de talenten (Mt 25,14-30) afbreekt voor de laatste dienaar van de drie aan het woord
komt. De lezing eindigt daardoor met : "In het kleine ben je betrouwbaar
geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer." (Mt 25,23). Voor een uitvaart is dit een
mooi slot en van daaruit kan een voorganger ongetwijfeld een goede homilie
opbouwen.
Vanuit exegetisch standpunt kan dit natuurlijk niet. Door deze parabel van
de talenten bij Matteüs (die een minde gekende variant heeft in Lc 19,11-27),
haalt men er als het ware de angel uit. De zo vreedzaam ogende parabel van de
talenten is immers een keiharde parabel in de slotredevoering van Jezus tot
zijn leerlingen in het evangelie van Matteüs. De eerste evangelist voert Jezus vijfmaal als leraar ten tonele. Hij
stelt Jezus daarbij voor als een nieuwe Mozes die volgens de joden de eerste
vijf boeken (de Torah) als leraar op zijn naam heeft staan, en die de
joods-christelijke toehoorders en lezers van Matteüs natuurlijk goed kennen. De
eerste rede van Jezus tot zijn leerlingen is de bergrede (Mt 5-7), een soort
programmaverklaring. De laatste is de paroesierede of rede over de wederkomst
(Mt 24-25). Vanop de Olijfberg - opnieuw een berg - spreekt Jezus zijn leerlingen
toe n.a.v. de vraag over het teken van zijn komst en van de voleinding van de
wereld (Mt 24,3). Er volgen dan een aantal vreemde en apokalyptisch getinte
uitspraken over waakzaamheid. En dan volgen er twee parabels die een duidelijk testamentaire
bedoeling hebben : de parabel van
de tien meisjes met of zonder olie in hun lampen (Mt 25,1-13) en deze parabel
van de talenten (Mt 25,14-30). Zoals in bijna elke parabel vinden we ook hier
drie stadia bij de toehoorders in het evangelie, hier dus bij de leerlingen.
Natuurlijk zijn de leerlingen eerst verbaasd dat een verhaal over een heer die zijn dienaren
met talenten achterlaten voorkomt in Jezus' antwoord op de vraag naar 'het
einde van de wereld'. Maar ze komen al snel tot inzicht : ze hebben
Jezus bezig gezien en gehoord; via Jezus hebben zijzelf het godsrijk als
het ware mee in handen gekregen. Ze staan m.a.w. voor een uitdaging : wat doe ze ermee? Gaan ze stil zitten wachten
met de handen in de schoot of gaan ze het rijk van God verder zichtbaar maken
en krachtig voortzetten wat ze in Jezus hebben gezien. Naast hen zijn er zovele
voorbeelden van mensen die netjes alles wetgetrouw volbrengen en hun handen
proper houden, maar niets bijbrengen aan het leven zoals het goddelijk bedoeld
is.
Op deze plaats in het eerste evangelie is dit dus een harde en uitdagende
parabel. Na deze parabel immers hebben we de bekende woorden "Ik had
honger, dorst ..." met "wat je aan de minste van de mijnen hebt
gedaan ..." en ... dan begint het lijdensverhaal. Het gaat hier dus om een
ultieme oproep van Jezus aan zijn leerlingen om in zijn Naam te werken aan
mens en wereld.
Maar ... zoals gezegd, in
de uitvaartliturgie valt de episode met de laatste dienaar weg en dus ook het vervaarlijk klinkende 'een plaats
van geween en tandengeknars' (Mt 25,30, wat we trouwens ook nog vinden in Mt
13,42 en 50; 22,13 en 24,51. Matteüs lijkt hier sterk geïnspireerd te zijn door
de apokalyptische literatuur van zijn tijd.) en klinken de voorgestelde verzen
heel anders.
Naar een homilie...
Wanneer we de verhaallijn van het Matteüsevangelie even naast ons laten en
we focussen ons op de verzen zoals het uitvaartlectionarium het ons voorlegt,
is het duidelijk dat deze verzen zeer bemoedigend kunnen zijn. Mensen die zich zonder meer hebben
ingezet voor het beter worden van mens en wereld, staan in Jezus' lijn en mogen
zich terecht verheugen in de oproep 'Ga binnen in de vreugde van je heer'.
Mattheüs 25,31-46
de nieuwe Mozes
berg
paroesierede
na elke ‘berg’ volgt een ‘dal’
het laatste avondmaal en het lijdensverhaal
'testamentaire' kracht
mensen die gedaan hebben wat moet gedaan worden
'goede' werken die Jezus zelf in zijn evangelie van Godswege heeft gedaan
TEKST
Het oordeel van de Mensenzoon
[31] Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. [32] Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. [33] De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. [34] Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. [35] Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. [36] Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” [37] Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? [38] Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? [39] Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” [40] De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” [41] Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. [42] Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, [43] Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” [44] Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” [45] Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” [46] Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’
[31] Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. [32] Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. [33] De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. [34] Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. [35] Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. [36] Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” [37] Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? [38] Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? [39] Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” [40] De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” [41] Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. [42] Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, [43] Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” [44] Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” [45] Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” [46] Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’
TOELICHTING /
ACHTERGROND
Zoals bekend legt de
eerste evangelist, die we gewoonlijk Matteüs noemen, Jezus vijf grote
redevoeringen in de mond. Hij stelt hem o.m. op deze manier voor als de nieuwe
Mozes die, in de geloofsopvatting
van de jood-christenen, waarvoor Matteüs zijn evangelie schrijft, ook vijf
grote leerinhouden op zijn naam heeft staan (de vijf boeken van de Torah of
Pentateuch). De eerste grote redevoering is de bergrede (Mt 5-7). Als een nieuwe Mozes gaat Jezus daar de
berg op en spreekt zijn programmarede uit : wat moet een leerling doen die
Jezus wil volgen ?
Dit stukje tekst, Mt
25,31-46, is genomen uit de allerlaatste redevoering van Jezus in dit evangelie. Gezeten op de Olijfberg
(opnieuw een 'berg' dus),
spreekt Jezus zijn leerlingen een laatste maal toe gedurende twee hoofdstukken.
Deze rede noemen we gewoonlijk de paroesierede, omdat ze in soms min of meer 'apocalyptisch' of
'eindtijdelijk' aandoende bewoordingen - helemaal niet vreemd binnen de bredere
literatuur van de eerste eeuw n. Chr. - gaat over de 'wederkomst' van de Heer.
Deze rede bevat enkele 'waakzaamheiduitspraken' (Mt 24,1-52), waarbij wij ons
soms nogal ongemakkelijk voelen en die nogal wat mensen, die niet vertrouwd
ooit angst hebben ingeboezemd. Maar ze bevat o.m. de parabel van de meisjes met
olie, of zonder olie in de lampen (Mt 25,1-13) en de bekende parabel van de
talenten (Mt 25,14-30). Daarop sluit het visioen van het oordeel aan, onze
lezing dus. Na elke 'berg' volgt een 'dal'. Het dal na deze berg is gewoon het laatste avondmaal en het
lijdensverhaal. Met andere
woorden : zeker dit stukje tekst, het laatste van de paroesierede, krijgt een
erg sterke 'testamentaire' kracht. Zoals de bergrede Jezus' programma was, is dit zijn testament.
Wanneer we de uitspraken
over 'binnenkomen in het koninkrijk' en 'het weggaan van de vervloekten in het
eeuwige vuur', niet al te visueel en fantasierijk invullen, lezen we een
prachtige tekst over mensen,
die zonder veel poeha, misschien zelfs zonder er zich van bewust te zijn, gedaan
hebben wat moet gedaan worden.
Het lijkt hier wel alsof Jezus zegt : vergeet alle leerstellingen, maar leef
zoals God het wil : zorg ervoor dat mensen geen honger en dorst hebben, dat ze
niet naakt en voor anderen te kijk staan; neem hen op die om welke reden dan
ook 'vreemd' zijn in het leven; ga dicht bij mensen staan, die ziek zijn, en
waarbij het leven stilaan wegvloeit; ga dicht bij hen staan, die om een of
andere reden, misschien zelfs door eigen fouten 'vast' zitten in het leven.
Meer dan ooit klinken deze woorden testamentair, ook al moeten we ze vanuit
literair standpunt kaderen binnen de 'eindtijdelijke' literatuur van de eerste
eeuw n. Chr. Eigenlijk gaat het om zovele 'goede' werken die Jezus zelf in
zijn evangelie van Godswege heeft gedaan. De verwachtingen uit het O.T. over iemand die in de naam van God als een
Messias zou komen en het 'geknakte riet' niet verder zou breken heeft hij
'goddelijk' waargemaakt. Voor hen, die zich zijn volgelingen noemen, breekt nu
de tijd aan om hetzelfde te doen : 'heil' brengen aan mensen, het leven van
mensen dat op een of andere wijze gebroken is, weer heel maken ...
Naar een homilie...
Op zich lezen we hier verzen die niet zo gemakkelijk zijn. Maar wanneer we
ze loshaken uit de typisch eindtijdelijke literatuur van toen, kunnen we ze
lezen als een uitzonderlijk huldebetoon aan mensen die in Jezus' lijn, bescheiden en op hun plaats, in het leven
hebben gestaan als een ware medemens en een stukje Gods hand zijn geweest. In
die zin leunen deze verzen enigszins aan bij de zaligsprekingen uit die eerste
rede van Jezus, de bergrede. Ook daar gaat het over mensen die, zonder enige
vorm van eigendunk, mens zijn in de meest diepe en goddelijk bedoelde zin van
het woord. Uiteindelijk, zeggen deze verzen, zullen zij thuis komen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten